“Hoe zou het in Denemarken zijn? “

  • Dinsdagochtend, 7.45 uur

    Julia duwt een boterham met pindakaas naar binnen, zet haar bord in de vaatwasser en veegt haar tandenborstel een paar keer heen en weer in haar mond. Ze zwiept haar schooltas over haar schouder en roept: ‘doei! tot vanmiddag, ik heb tennisles hè, hou van jullie!’ Er is niets waaruit blijkt dat er vandaag iets gaat gebeuren wat voor elke ouder de grootste nachtmerrie is.

    17.00 uur

    Ik fiets naar de naschoolse opvang om Lina op te halen. Als ik thuis ben draai ik een pastaatje in elkaar en om half zeven zet ik de pan op tafel. Anna speelt en eet bij haar vriend, Guyon, Lina schept haar bord vol, Bart zit nog op zijn werk. Maar waar is Julia?

    Ik bel haar. Tuuduuduu. Haar telefoon staat weer eens uit. Ze is vast nog op de tennisclub, ze had om half vijf les en ze blijft daar wel vaker hangen met haar vriendinnen. Ik kijk vanuit ons appartement naar beneden, de tennisvereniging ligt naast de flat, ik zie haar niet, waarschijnlijk zijn ze in het clubhuis aan het darten of zo.

    19.00 uur

    Anna komt thuis, ik stuur haar naar buiten om te kijken of Julia nog ergens rondhangt. Ondertussen duw ik Lina de douche in, help haar met tandenpoetsen, lees een kort verhaaltje voor en breng haar naar bed. Anna is weer terug, zonder Julia. Er was niemand meer van haar lesgroep. Een raar, onrustig gevoel in mijn onderbuik. Ik druk het weg.

    19.30 uur

    Bart komt binnen, hij heeft ook niets van Julia gehoord. Ze was om 15.17 uur voor het laatst online op whatsapp. Ik bel Julia’s beste vriendin, L. Ze neemt niet op. Ik app haar.

    ‘Is Julia bij jou?’

    L: ‘Ja ze is bij mij.’

    Opgelucht maar ook geïrriteerd, omdat Julia niets heeft laten weten, bel ik L. Vijf keer achter elkaar. Ze neemt niet op. Vreemd. Ik stuur haar nog een bericht.

    ‘Ik probeer je te bellen, wil Juul spreken. Waar zijn jullie? Neem even op, ik maak me zorgen.’

    L: ‘Ze is toch niet bij mij, ik wou haar ook bellen omdat ik het raar vond dat ze jou niet had laten weten waar ze was maar ze neemt niet op dus ik wil dit nu wel zeggen tegen je. Ze was ook niet bij de tennisles.’

    Ik haal diep adem en blaas langzaam uit.

    We bellen vriendinnen, ouders van vriendinnen, vriendinnen van vriendinnen. Niets. Niemand weet waar ze is. Dan krijg ik de moeder van een klasgenoot aan de lijn. Julia heeft tegen de klasgenoot gezegd dat ze de stad in zou gaan, naar het centrum, ze zou met iemand hebben afgesproken. De klasgenoot weet niet met wie.

    19.45 uur

    Naar het centrum? Ze was om half drie uit. Het is nu bijna acht uur ’s avonds. Niemand weet waar ze is. Ze laat áltijd weten waar ze is. Dit duurt te lang. Ik bel de politie en wordt direct doorverbonden met de meldkamer waar ik vakkundig word ondervraagd. Welke huidskleur heeft ze? Hoe lang is ze en hoe zwaar weegt ze? Wat is haar haarkleur en hoe lang is het haar? Welke kleding droeg ze toen ze wegging vanochtend? Is ze al eerder weggebleven zonder iets te laten weten? Waar is de vader van Julia? ‘Uh, die staat naast me’, zeg ik. Zijn de ouders van Julia nog bij elkaar? ‘Ja, nóg wel,’ hoor ik mezelf zeggen.

    Binnen een kwartier staan er drie politieagenten voor de deur. Ze komen helpen en hebben nog meer vragen. Wat is haar bankrekeningnummer? Is er geld afgeschreven? Heeft ze een ov-kaart? Is daar mee gereisd vandaag?

    Inmiddels ben ik duizelig van alle vragen en verward omdat ik op de helft geen antwoord weet. Wat had ze aan? Spijkerbroek? Welke tas had ze bij zich? Wat is de code van haar laptop en ipad en waarom hebben we geen locatie-volgen ingeschakeld op haar telefoon?

    20.15 uur

    De moeder van de klasgenoot belt nogmaals. De klasgenoot herinnert zich dat Julia waarschijnlijk met een jongen heeft afgesproken, Jesse.

    Jesse? Die naam zegt me wel iets. Hij zat op school, in Leiden?, bij de dochter van een vriendin van ons die daar in de buurt woont. Julia vond het een knappe jongen, volgens mij hebben ze online contact maar elkaar nog nooit echt ontmoet. Meer weet ik eigenlijk niet. Ik bel de vriendin, haar telefoon staat uit, ik spreek de voicemail in en vraag of ze me snel terug wil bellen. De drie agenten googelen ondertussen driftig op hun mobieltjes en stellen vragen: ‘Zit Jesse op Instagram of Facebook? Wat is zijn achternaam? Waar woont hij? Hoe heet de school waar hij op zit?’ Ik weet alleen dat hij op Insta zit, daar zien we dat hij maar één foto zichtbaar heeft. Knappe jongen. Er staat geen achternaam bij. We bellen nog een rondje vriendinnen van Juul. Stuk voor stuk kennen ze de naam Jesse, ze weten dat Julia contact met hem heeft, al een jaar, maar niemand heeft Jesse ooit gezien.

    Bestaat hij wel?

    Veel tijd om hierover na te denken heb ik gelukkig niet. Mijn vriendin belt terug, ze zat in de bioscoop vandaar dat haar mobiel uit stond. Ik schreeuw in de telefoon: ‘DIE JESSE, BESTAAT DIE ECHT?! IS HET EEN ECHTE PERSOON?!’

    ‘JA! JA!’ Roept mijn vriendin, ‘hij bestaat echt!’ Hij zat bij haar dochter op school. De dochter wordt erbij geroepen, zij heeft meer informatie over de knappe jongen. Zijn achternaam, waar hij woont, waar hij op school zat en ze kan vertellen dat Julia om half vier online was op Snapchat, locatie: De Amsterdam Arena.

    De Arena?! De halve politiemacht van Amsterdam zoekt haar in het centrum en nu blijkt dat ze bij de Arena is geweest? In mijn hoofd ontstaan beelden van een oud bestelbusje onder een brug bij de Arena waar Julia in wordt gegooid, ze rijden naar Rusland waar ze de rest van haar leven wordt geëxploiteerd en we zien haar nooit meer terug. De hel.

    20.45 uur

    Ik kijk apathisch uit het raam en zie dat een van de agenten op het balkon staat te bellen. Ik loop er naartoe om het gesprek op te vangen. ‘Meneer, we zijn op zoek naar uw zoon, Jesse. Weet u waar hij is?’ De vader van Jesse is ook bezorgd, hij heeft geen idee waar zijn zoon is. Jesse had allang thuis moeten zijn en sinds half zes staat zijn telefoon uit. De vader weet niets over Julia, hij vraagt zich af waarom de agent hem belt en waarom wij denken dat Julia iets met zijn zoon te maken zou hebben. Hij kan ons niet verder helpen.

    De agenten overleggen. Omdat we niet weten waar en met wie Julia is en omdat ze al meer dan zes uur spoorloos is, willen ze een noodoproep gaan uitzenden. En dan gaat de deurbel.

    21.00 uur

    Julia is thuis. Ze kijkt met grote ogen naar de agenten in de woonkamer en dan naar mij. Ik pak haar vast, tranen stromen over mijn gezicht van opluchting. Ik zeg tegen haar dat ik zo blij ben dat ze er is en vraag of alles goed is met haar. Ze knikt, gaat zitten en vertelt. Ze was met Jesse. Ze hadden al een jaar contact via Snapchat en probeerden af te spreken maar dat lukte steeds niet en nu dacht ze dat het weer niet door zou gaan. Daarom had ze niks gezegd. Ze spraken af bij de Arena, Jesse moest iets halen bij Decathlon. Daarna zijn ze de stad ingegaan, hebben gewandeld en gekletst, bij de dam. Ze zijn de tijd vergeten, ineens was het half acht en toen durfde ze niets meer te laten horen, haar telefoon was leeg en die van Jesse ook, ze weet dat dit geen excuus is. Ze had niet verwacht dat we de politie zouden bellen. Ze dacht dat we boos zouden zijn omdat ze niet naar tennisles was gegaan.

    Een van de agenten zaagt haar flink door over wat er is gebeurd, of ze echt uit vrije wil is meegegaan en of ze beseft wat dit met haar ouders doet als ze van de rader verdwijnt zonder zich te melden. Haar hoofd gaat op en neer alsof het los op haar nek zit.

    Als de agenten zijn vertrokken praten we met met z’n drieën door. De opluchting dat ze veilig thuis is overheerst en ik zeg dat we de volgende dag verder gaan praten. Het ijzer smeden als het koud is. In de week die volgt hebben we mooie gesprekken. Julia vindt, als ik ernaar vraag, dat er wel consequenties moeten zijn voor haar gedrag. Ze weet niet goed wat dan precies. ‘Bedenk jij het maar mam, ik doe alles wat je zegt.’ Ik stel voor om een korte film te kijken die ik als tip kreeg van een collega van jeugdzorg. De film laat zien wat er kan gebeuren als je online contact hebt met iemand die je nog nooit hebt ontmoet. Als ik de film afspeel zegt ze na tien seconden, ‘hé die ken ik al, die heeft juf Patje in groep acht al laten zien!’ Ze schetst in een paar zinnen waar de film over gaat en we hebben weer een mooi gesprek. Ze realiseert zich dat het belangrijk is dat ze laat weten waar ze is en dat wij ons anders heel veel zorgen maken. Ik weet dat dit nooit haar intentie is geweest en dat het heus niet de laatste keer zal zijn dat er een les geleerd wordt. Ik stel voor om er nog een consequentie aan te verbinden. Ze gaat akkoord. Ik mag dit verhaal opschrijven, zij mag het als eerste lezen en als ze zich erin kan vinden mag ik het delen.

    1. Patricia avatar
      Patricia

      Wat zullen jullie bezorgd zijn geweest. Ik las jouw verhaal met pijn in mijn buik.
      Fijn dat het heeft geleid tot mooie gesprekken met lieve Julia.

      1. Mies avatar
        Mies

        Ja, we waren heel bezorgd. Julia maakte zich al zorgen dat jij dit zou lezen en er van zou schrikken. We hadden zo’n mooi gesprek over jou, dat jij de hele klas die film al had laten zien in groep 8, dat heeft heel veel indruk gemaakt en dat helpt nu dus ook met inzicht krijgen en bewust zijn van wat haar acties kunnen betekenen. En ja, elke puber maakt natuurlijk dingen mee die ze niet helemaal handig inschatten dus dat hoort erbij. Maar echt, we zijn zo blij dat het goed is afgelopen!

    2. Willeke avatar
      Willeke

      Jeetje Mies, wat een verhaal! Doodeng gewoon, dat je gewoon niet weet waar ze kan zijn!.. Dit hoop je maar 1 keer mee te maken..maar gelukkig een goede afloop. 😘

      1. Mies avatar
        Mies

        ja gelukkig is het goed afgelopen, ik hoop het ook nooit meer mee te maken! XXX liefs!

    3. Monique avatar
      Monique

      Jeetje Miezus wat een verhaal…Gelukkig met goede afloop. Knuffel Juul maar extra de komende weken 😘

      1. Mies avatar
        Mies

        Zal ik doen zussie!! XXX

    4. Annechien avatar
      Annechien

      Pfff, wat een verhaal Mies. Het moment dat je realiseert dat je echt niet weet waar ze is…. de paniek die je ervaart. Het meest kostbare in je leven is ineens heel kwetsbaar. Wat mooi hoe jullie het samen kunnen bespreken en weer herstellen naar elkaar.

  • Door een dubbele boeking kunnen we niet in ons vakantiehuis. We hebben een alternatief gevonden dat rust, luxe en ontspanning belooft.

    We rijden over een driehonderd meter lange oprijlaan en aan het einde gaan we door een zwarte gietijzeren poort naar de ingang van Chateau Marcellus. Hier worden we hartelijk ontvangen met een glas bubbels door de Franse kasteelheer Samuel ‘you can call me Sam’. Sam is antiekhandelaar en toont ons onmiddellijk een aantal van zijn pronkstukken, beelden, oude kunstwerken die op het gigantische landgoed ten toon gesteld staan. De prijzen staan erbij vermeld en beginnen ongeveer bij het jaarsalaris van de gemiddelde Nederlander.

    Kasteelvrouw Cathrin ‘you can call me Catja’ komt zich ook voorstellen en gaat ons een rondleiding geven. Ze is Russisch, spreekt vloeiend Frans en een aardig woordje Engels met een ‘Allo Allo’ accent. Het lijkt alsof ze zo van de catwalk afkomt. Ze draagt een zachtgroene zijden jurk en sandalen die uit een gerenomeerd modehuis komen. Sam stelt haar voor als zijn vrouw maar als hij had gezegd dat zij zijn dochter was had ik het ook geloofd.

    De wandeling gaat door de hal, de feestzalen, het terras met wijds uitzicht over de Garonne, de klassiek ingerichte slaapkamers, het zwembad en de keuken. In elke ruimte legt ze tot in detail uit welk schilderij er hangt, waar het vandaan komt en van welke graaf, baron of koning het ooit is geweest. Het voelt als een museum, een unieke plek uit het verleden versmolten naar het heden. De drie middelgrote terriërs van Catja dartelen achter ons aan, ze lijken blij met onze komst.

    Sam en Catja wonen hier sinds november 2020 en zijn vanaf dat moment gaan renoveren. De keuken wordt volgende maand vervangen en dat is hard nodig. De kastjes zijn gedateerd maar gevuld met het hoogstnoodzakelijke keukengerei. Van het (moderne) fornuis kunnen we alleen de smalle oven gebruiken, anders kan de elektriciteit het niet aan, en de gootsteen is met plakband aan elkaar gezet. Gelukkig staat er buiten een reusachtige barbecue tot onze beschikking. Hans staat klaar om de eerste maaltijd in elkaar te draaien. Sam nodigt de mannen uit om mee te gaan naar de kelder om bier te drinken. ‘De mannen?!’ zegt Maartje, ‘ik wil ook bier!’ en ze wandelt met de heren naar beneden.

    ’s Avonds zitten we met een wijntje voor het kasteel om ons eerste kampvuur, Hans pakt zijn gitaar, we zingen wat en zijn blij dat niemand naar Nederland terug is gereden. Het hondentrio blaft en keft net iets te hard mee.

    De volgende ochtend om acht uur denk ik een moment dat ik in Amsterdam ben omdat ik gewekt word door het geluid van… een schuurmachine? Een bladblazer? Ik kijk uit het raam en zie een tuinman met een elektrische grastrimmer aan het werk. Tot zover ontspanning op het landgoed. Als ik het kasteel uitwandel om dan maar te gaan hardlopen zie ik een van de hondjes een achterpootje optillen waarna hij de velg van onze auto besproeit. Tegen lunchtijd is de tuinman nog steeds aan het snoeien. Bart vraagt de man of hij het apparaat nu uit kan zetten. Fijn. Stilte. Later op de dag biedt Catja haar excuses aan voor de overlast, ze had de vakman al geboekt voordat ze wist dat wij zouden komen.

    De kasteelvrouw staat erop om ’s ochtends ons ontbijt te serveren. Er zijn mensen die om acht uur al aan een croissant willen knabbelen maar er zijn ook mensen die tegen de lunch pas hun bed uitrollen. We proberen een compromis en ontbijten rond tien uur aan een totaal sjiek gedekte tafel met porseleinen kopjes met gouden randjes, verse chocoladebroodjes en perfect klaargemaakt roerei. Ik merk dat ik het wel gezellig vind maar ook gedoe, leuk voor een keertje. Ik wil ’s ochtends een beetje aanrommelen en eten wanneer ik trek heb, dineren doen we dan wel met z’n allen.

    Op dag twee is er een probleem in de keuken. De afvoer van de gootsteen lekt en er staat een emmer om het water op te vangen. De vaatwasser kan niet gebruikt worden waardoor de vuile vaat van elf personen zich opstapelt. Catja draait haar hand er niet voor om, ze rijdt naar de lokale Praxis, komt terug met materiaal en sleutelt net zo lang in het gootsteenkastje tot het is opgelost.

    In de avond gaan Catja en Sam uit eten. Catja vertelt dat een van de hondjes loops is en dat de andere haar wil dekken maar dat mag niet omdat die de vader is van de loopse hond. Of zoals Julia het samenvat: ‘Ieuw!! Die vader neukt zijn kind!’

    De volgende ochtend ligt het grindplein voor het kasteel vol met hondendrollen. Hans schuift er een schep onder en mikt ze buiten het terrein. De hondenbazin lijkt zich niet druk te maken over het gedrag van haar pluizenbollen.

    Op dag drie moeten we de auto’s buiten het hek parkeren omdat er een betonnen rand wordt gegoten tussen de oprijlaan en het grind waar nu de auto’s staan. Het beton moet vierentwintig uur drogen. Gelukkig komt er geen grote betonmolen maar een mannetje die het beton in een bak mengt. Al het werk gaat door terwijl ‘de winkel’ open is.

    De vierde dag kijk ik eens op Insta bij het account van Chateau Marcellus en ik beland in een sprookjeswereld. Plaatjes, foto’s die een andere werkelijkheid weergeven dan waar wij ons nu in bevinden. Modellen, aangekleed en gestyled in kostuums als prinsen en prinsessen. Sam en Catja als deftige kasteelbezitters in poses op de centrale trap, in de feestzaal en voor de ingang van het chateau. Alle oneffenheden zijn keurig weggewerkt en een beeld van glitter en glamour nodigt uit om over te dromen. Wat ik al de hele week denk zie ik hier bevestigd, wij zijn niet de doelgroep van dit flamboyante duo wat hier hun onalledaagse levensvisie aan het uitwerken is. Als dit over een paar jaar helemaal af is dan betaal je waarschijnlijk per kamer voor een nacht wat wij nu met zijn allen voor vijf dagen neertellen.

    De laatste avond heeft Ester met Anna een Julia een escaperoom voor ons in petto. Puzzels die ons door het hele kasteel leiden, Kees die ontvoerd wordt en die we uiteindelijk via hints terugvinden in de donkere kelder. Ik zie Sam en Catja kijken naar ons gezelschap en ben benieuwd wat zij hiervan vinden. Elf gekke Nederlanders die samen op vakantie gaan, zelf willen koken, een beetje rond het zwembad hangen in hun joggingpak, kletsen, een boek lezen en muziek maken rond het kampvuur.

    Echt ontspannen was het niet, een unieke ervaring was het zeker en ik had het niet willen missen maar ik kijk uit naar volgend jaar. Een rustige, oersaaie zomervakantie met een dik boek onder een oude Franse boom.

    1. Moeders avatar
      Moeders

      Mies, briljant! Zo beeldend, ik zag het voor me. Ik heb ervan genoten. ❤️❤️😘

      1. Mies avatar
        Mies

        dankjewel moeders! Mijn eerste tweeluik, best lastig maar fijn dat je ervan hebt genoten! X

    2. Agaath Witkamp avatar
      Agaath Witkamp

      Wat kun jij dit prachtig beschrijven Michele. Ik was even niet in Nederland. Ik zag alles zo voor me.
      Geweldig ! Ga vooral zo door !

  • We rijden midden in Frankrijk op een smalle, steile zandweg omhoog. Na een paar honderd meter gaan we linksaf door een poort en zien we onze prachtige villa verschijnen. Er staan drie auto’s geparkeerd. De schoonmaakploeg, zeg ik tegen Bart. Bart ziet een kinderwagen bij de voordeur staan. Schoonmakers nemen vaak hun kinderen mee zeg ik. Het zijn Belgen, zegt Bart. Op dat moment realiseer ik me dat er iets goed mis is.

    Een week eerder:

    We rijden naar Parijs. Bart wil de Eiffeltoren op. Hij heeft een beeldig boutique-hotel, op loopafstand van de attractie met uitzicht, geboekt. Het is niet helemaal mijn ding om tussen de toeristen, als toeristengezin de toerist uit te hangen maar ik doe mijn best om te ontspannen. We bestellen vier ijsjes en een cola bij een vervallen tentje aan de Seine en betalen twintig euro. Regen verrast ons en we duiken naar binnen. We zitten op houten uitklapbanken aan een uitklaptafel tussen drie franse families met kleuters die de stokjes van hun suikerspinnen in onze ruggen porren. Ik wil naar huis.

    Snel weer naar buiten, dan maar nat. We melden ons aan de voet van het iconische bouwwerk. Eerst de corona-check, geen probleem. We lopen door het park naar de entree van de toren waar we door de metaaldetector moeten. Er staat een gigantische doos van plexiglas vol met messen, vorken, kurkentrekkers en overige potentieel gevaarlijke ijzerwaren. Haha, zeg ik tegen Bart, wie neemt dat soort dingen nou mee hiernaartoe? Als onze bagage door de scanner gaat klinkt het alarmsignaal. Er zit een zakmes in mijn rugzak.

    Lichte paniek, dit is het mes dat ik vijfentwintig jaar geleden van mijn eerste zuurverdiende geld als reisbegeleider in Frankrijk kocht. Ik ga het echt niet toevoegen aan de doorzichtige doos. Ik loop het plein op en sta tussen de vier poten van de Eiffeltoren. Wat een kutzooi. Ik ga wel terug naar het hotel, schreeuw ik, ik ben er helemaal klaar mee. Bart blijft rustig en kijkt om zich heen, hij hangt het zakmes in een plantenbak vijftien meter van de entree en belooft dat het er straks nog hangt. Ok. Mokkend naar boven dan. In de lift naar de top, euforisch uitzicht over de wereldstad en drie kinderen die er met open mond en grote ogen naar kijken maakt alles weer goed. Eenmaal beneden vist Bart het zakmes uit de plantenbak, hobbelen we naar binnen bij een Italiaans restaurant en duiken we vroeg ons bed in.

    De volgende ochtend rijden we een paar uur richting het zuiden. We checken in bij een kasteel-hotel in de Loire met Kees, Ester, Maartje en Erik. We zwemmen in het verwarmde zwembad, slapen uit, drinken wijn, gaan uit eten en ik koop een zomerhoed in een fantastische hoedenwinkel in het stadje Saumur. Drie dagen later rijden we richting de Dordogne waar Hans en Marjolein met hun camper aansluiten bij ons gezelschap. We hebben een belachelijk luxe villa, met veel slaapkamers, nog meer badkamers, nog veel meer hectare grond, een poolbiljart, een tafelvoetbaltafel, een tafeltennistafel én een zwembad gevonden. Ik verheug me er al maanden op.

    En dan:

    We staan voor de deur van de villa. De Belgen komen naar buiten. Zij hebben geboekt in deze week. Wij ook. We bellen heen en weer met boekingskantoren en met de eigenaresse. We checken elkaars bevestigingen en Bart belt met Sabine van ons boekingskantoor. Sabine is in shock. Zij heeft een enorme fout gemaakt. Ze heeft de verkeerde datum voor onze vakantieweek doorgegeven. Wij zijn op 31 juli bevestigd maar staan bij de eigenaresse op 7 augustus geboekt. Haar fout. Onze pech.

    Het voelt als een waardeloze aflevering van Bananasplit en ik hoop dat Frans Bauer komt aanlopen om te vertellen dat het een grapje is. Dat gebeurt niet, we zitten zonder vakantiehuis. Ik laat mijn tranen lopen, hou Bart vast, kijk naar mijn vrienden en vertrouw erop dat dit goed gaat komen. Al weet ik nog niet hoe. Dit is pech. Balen. Ongeluk. Karma? Hoezo? Ik probeer rustig te blijven. Hoe kan dit gebeuren?!

    We laten de Belgen in ‘hun’ vakantiehuis achter en rijden naar een parkeerplaats in het dorp. Hans kookt pasta vanuit zijn campertje op het plein. Iedereen denkt na of hij nog iemand ergens kent die iets zou kunnen betekenen. Kunnen we een ander huis vinden in Frankrijk voor deze week? Dat zou natuurlijk het mooiste zijn. Maar is dat realistisch? De drukste week van het jaar?! Alles lijkt bezet. Om de beurt roept iemand dat het nooit gaat lukken en dat we beter naar huis kunnen gaan. De emotie van het moment. Dan vindt Ester een hotel op vijftien minuten rijden van de parkeerplaats. Sabine van het boekingsbureau heeft nog niets toe kunnen voegen. We besluiten te overnachten en de volgende dag een knoop door te hakken.

    In hotel Le Home drinken we wijn en surfen we op het internet om een acceptabele accommodatie te vinden. Aan het einde van de avond hebben we nog altijd niets waar we ons goed bij voelen maar de wijn maakt dat ik zeker weet dat er een oplossing komt. De volgende ochtend is de roes uitgewerkt en slaat de twijfel toe. Ik neem wat paracetamol en zit met mijn houten hoofd aan de ontbijttafel waar de Franse eigenaar van het hotel tettert dat het belachelijk is dat wij onze tijd moeten besteden aan het zoeken naar verblijf. Een taak voor Sabine, we verwachten daar geen wonder van.

    Om half elf roept Ester dat ze wellicht iets heeft gevonden, een gigantisch Chateau in de Garonne, vlak bij Bordeaux. Ze zijn net open en nog aan het renoveren. We mogen de keuken gebruiken al staat de eigenaresse erop dat zij het ontbijt maakt voor ons, daar kunnen we wel mee leven denken we. De plaatjes op de website beloven rust, luxe, ruimte en ontspanning. We ruimen onze hotelkamers leeg en wandelen nog een uurtje in het middeleeuwse dorpje waar we de nacht hebben doorgebracht. Daarna rijden we rustig naar Chateau Marcellus waar we door de kasteelheer en zijn vrouw met bubbels worden ontvangen. De vakantie kan beginnen.

    (wordt vervolgd)

    1. Moeders avatar
      Moeders

      Wat een verhaal! Wanneer komt het vervolg? 😊😘 Heerlijk weer iets te kunnen lezen!

    2. Mies avatar
      Mies

      Ik denk volgende week.. heb je iets om naar uit te kijken 🙂 XXX

    3. Patricia avatar
      Patricia

      Wat een bijzondere reis. Ik ben erg benieuwd naar het vervolg.

    4. Charlotte avatar
      Charlotte

      Spannend! Ben benieuwd hoe het gaat lopen en hopelijk een super fijne plek voor jullie!

    5. Isabelle avatar
      Isabelle

      Ik heb je verhalen zo gemist!!!! Welkom terug!

    6. Hans Sibbel avatar
      Hans Sibbel

      Ik weet ook niet hoe het verder gaat!
      Hans….

      1. Mies avatar
        Mies

        Haha, je hebt vast wel een idee hoe dit afloopt!

  • Het weekend in de week voor de herfstvakantie zet ik er een tandje bij. Lina heeft zwemles en twee verjaardagsfeestjes, Anna gaat naar free-run en Bart neemt een tennisles. Het ‘bedrijf’ Witkamp draait op rolletjes. We verheugen ons op het vooruitzicht van vrije tijd want we mogen in het huis van de verloofde van mijn moeder. Hij heeft een prachtig appartement in Scheveningen óp de boulevard.

    Na mijn studiedag op maandag heb ik ’s avonds repetitie met Hans voor een optreden in de Open Bac. Dinsdag krijg ik presentatiecoaching van Liekje. Het schema loopt door met afspraken maar omdat Bart zich niet zo goed voelt en te horen krijgt dat een collega van hem Corona heeft blijven we thuis uit voorzorg. Ik slaap op de bank en hoop dat het mij behoedt voor besmetting. Bart laat zich testen en duikt met dikke griepklachten onder de dekens. Drie dagen later komt de uitslag. Positief. Wat dus negatief is voor ons.

    Het eerste waar ik aan denk is dat ik niet naar school kan. Verder is het doei met de herfstvakantie aan het strand en potverdikkie mijn optreden kan ik ook wel vergeten. Ik app mijn studiegenoten en Hans en andere mensen met wie ik contact heb gehad. Bart krabbelt langzaam van zijn bed naar de bank in de woonkamer en ik schuif op mijn beurt de slaapkamer in.

    Mijn eerste reactie bij ellende is ontkenning. Ik heb het niet, Bart heeft het dus ik kan het niet hebben. Iemand moet aan het roer staan anders raken we de koers kwijt. Ik doe dapper spelletjes met de kinderen, we maken een puzzel en bakken een boterkoek. Ondertussen heb ik knallende koppijn, spierpijn die je alleen maar hebt na het lopen van een marathon en ik heb het benauwd. De hoofdpijn en de benauwdheid zijn vast van de stress denk ik. De spierpijn is zeker van de dertig-dagen-yoga-challenge waar ik mee ben gestart. Ik moet wel een beetje blijven bewegen natuurlijk.

    Als ik heel hard huilend mijn moeder, mijn schoonmoeder en mijn beste vriendin aan de telefoon heb gehad en zij, onafhankelijk van elkaar, de suggestie opperen om de huisarts te bellen doe ik dat. De vriendelijke dokter luistert geduldig en adviseert me om toch maar even te laten testen omdat ik ondertussen ook nog een verstopte neus heb. Die is volgens mij te verwijten aan het vele huilen maar ik geef haar het voordeel van de twijfel en duik de teststraat in. Daar moet ik voor naar Purmerend. Een welkome afwisseling, een ritje van een halfuur in de buitenwereld. De testcampus staat vol met witte tenten en er lopen overal mensen met knalgele reflecterende hesjes. Dichterbij een festival-gevoel gaan we niet komen dit jaar denk ik.

    Het stokje-in-de-neus moment stelt niks voor en ik kan terug naar huis om de uitslag af te wachten. Drie dagen later belt de GGD. Ik heb het ook. Niet onverwacht en licht opgelucht (want wat had het anders moeten zijn..) reken ik hoe lang we nog binnen moeten blijven. Dat blijkt een shit-som. Als ik vierentwintig uur geen klachten heb moeten de rest hier nog tien dagen binnen blijven. Als een van de kinderen het krijgt begint de telling van voren af aan.

    Het is een flashback naar de eerste lockdown. We maken avondwandelingen door het park om toch even een frisse neus te halen. Ik werk thuis, doe het huishouden en geef zo goed als het gaat onderwijs aan Lina en Anna. Julia heeft zich opgesloten in haar kamer en lijkt zich voor te bereiden op de toetsweek. Ze heeft een snotneus maar haar coronatest blijkt gelukkig negatief. Het is een ordinaire, gewone herfstverkoudheid.

    Familieleden en vrienden sturen kaarten, bloemen en cadeautjes om de moed erin te houden. Het helpt, al die lieve aandacht maakt het toch wat draaglijker om gevangen te zitten in je eigen huis. Wanneer ik me weer iets beter voel en wat meer energie krijg komt mijn ongeduld op gang. Terwijl ik probeer mijn achterstallige mails weg te werken bedenk ik optelsommen onder de tien voor Lina en help ik Anna de persoonsvorm en het onderwerp in een zin te vinden. Ik heb zin om te stampvoeten en krijsend op de grond te gaan liggen maar het stemmetje in mijn hoofd dat roept dat dit echt nergens op slaat wint. Als ik de vaatwasser uitruim knal ik wat schaaltjes op elkaar waardoor er eentje breekt. Godver.

    Ik ben niet de enige met explosieve gevoelens. Er zijn mensen boos omdat ze een mondkapje moeten dragen terwijl zij vinden dat dit geen nut heeft. Er zijn mensen boos die vinden dat de mondkapjes verplicht moeten worden of het nou wel of niet bewezen is dat het werkt. Er zijn mensen boos omdat de KLM wel geld krijgt van de overheid en de cultuursector niet. Er zijn mensen boos omdat de horeca dicht is en er zijn mensen boos omdat ze vinden dat de horeca veel eerder dicht had gemoeten. Het lijkt alsof de hele wereld boos is.

    In mijn omgeving voel ik verdeeldheid en zoeken mensen de grenzen van de regels en richtlijnen waar we allemaal mee te maken hebben.

    Dringend advies om niet op vakantie te gaan naar het buitenland. Hij vliegt naar Griekenland.

    Blijf thuis als je corona hebt. Zij gaat met een positieve testuitslag en koorts even naar het tuincentrum.

    Huisgenoten moeten thuisblijven als iemand corona heeft. Hij brengt de kinderen naar school omdat die geen klachten hebben, anders is het zo druk thuis en kan hij niet rustig werken.

    Medewerkers in de teststraten worden uitgescholden. Politici kunnen het ook niet meer goed doen. Wel regels? Geen regels? Soepele regels? Een beroep doen op het ‘gezonde’ verstand van de burger lijkt mij de slechtste optie want die burger is zijn verstand verloren.

    Wij mogen weer naar buiten maar ik merk dat ik niet sta te trappelen. Het liefst blijf ik onder de dekens tot dit allemaal is overgewaaid. Hoe ziet de wereld eruit als dit voorbij is? Hoe ver gaan we het laten komen met z’n allen. Wie of wat kan ervoor zorgen dat we er het beste van gaan maken? Wanneer mag ik optreden? Ik heb liedjes over hoop! Dat is wat ik iedereen trouwens toewens, hoop. Als dat er niet meer is zijn we verloren. Niemand weet hoe het verder zal gaan. Het zou wel eens nog veel rottiger kunnen uitpakken. Ik kijk uit het raam en zie een dubbele regenboog.

    Morgen mogen we weer naar school. Julia, Anna, Lina en ik. Het voelt als lente na een lange, koude, natte winter. Voor nu volg ik een online-yoga-lesje, ik sla mijn energie eruit tegen Bart op de tennisbaan en vanavond trek ik een mooie fles wijn open. In de vriendengroep appen we linkjes van grote huizen in Frankrijk met zwembad. Zomer 2021. Iets om naar uit te kijken, dat kunnen we allemaal goed gebruiken. Of het realistisch is dat zien we dan wel weer.

  • Op het prachtige tennispark dat naast onze flat ligt zijn de jaarlijkse clubkampioenschappen zojuist voltooid.

    Sinds een paar jaar volg ik tennisles in het zomerseizoen. Het is meer bezigheidstherapie dan dat het werkelijk iets oplevert omdat ik tot voor kort geen prioriteit stelde aan oefenen naast het lesgebeuren maar de afgelopen twee maanden heb ik meer ballen geslagen dan ooit. Door de quarantaine was de tennisvereniging gesloten, ik miste het op-de-baan-gevoel en ik besloot mijn racket fanatiek op te pakken als het hek van het park weer open zou gaan.

    Vervolgens schreef ik me dapper in voor de clubkampioenschappen. Bij de singles was ik snel klaar. Een enkele partij 0-6, 0-6. Voor de niet-tennissers onder ons, dat is de zieligste score die je kunt halen, ze noemen dit ook wel een ‘bagel’. In dit geval een dubbele ‘bagel’. Ik verschuil me niet achter excuses. Mijn tegenstandster was ergens in de vijftig, speelde al een paar jaar competitie en sloeg een behoorlijke forehand en dat alles heel relaxt in een overzichtelijk tempo. Daar had ik heus iets tegen kunnen beginnen om een paar games aan mijn kant te krijgen. Wat gebeurde er?

    De zenuwen.

    Bij het overslaan van een balletje om te oefenen raak ik ze hard en plaats ik ze meestal binnen de lijnen. Mijn forehand is behoorlijk acceptabel en mijn backhand is meer dan behoorlijk. Mijn service is redelijk maar als ik hem in het vak krijg kijk ik verbaasd naar het resultaat en reageer ik als een naaktslak die voelt dat het gaat hagelen op de terugkeer van de bal. Dit allemaal hebben gezegd zou ik een redelijk pot moeten kunnen spelen in categorie acht. De laagste, voor wie dat lampje nog niet had gezien.

    Zodra het iets van een wedstrijd weg heeft krijg ik de bibbers. Het serveren kan ik beter aan mijn zesjarige dochter Lina overlaten, ze slaat een strakkere bal dan ik op zo’n moment. Ik ga volledig mee met het tempo van de tegenspeelster. Rustige boogballen probeer ik op dezelfde manier te retourneren wat meestal resulteert in een uit-bal of eentje in het net.

    Ik zou natuurlijk mijn eigen pittige backhand moeten slaan maar mijn hersenen vertellen me iets anders. Dit is een WEDSTRIJD! Je mag NIET falen. NU komt het er op aan!

    Op zo’n moment spreek ik mezelf tegen. ‘Nou, nou hersenen, kom op zeg, ik sta niet op Roland Garros te spelen, het is gewoon een potje clubkampioenschappen, doe rustig!’ De stemmetjes in mijn hoofd protesteren direct: ‘Als je zo begint wordt het nooit wat met je, sla die bal terug, loser!’

    Tijdens mijn interne discussie zijn we al weer vier (verloren) games verder en na afloop van de wedstrijd begrijp ik niet waar ik me zo druk om maakte. Ik heb er zelfs een goed gevoel over, het was een leuke sportieve wedstrijd en nou én, ik heb verloren.

    Een paar weken na de singles zijn er dubbels. Ik speel in mijn categorie met Bart, mijn man. En omdat je in twee onderdelen in mag schrijven ga ik in de ‘zeven’ met vriend Omar, die eigenlijk een zes is. Ik probeer me voor te bereiden door alle tennisresultaten van onze tegenstanders te bekijken. Die bieden geen garantie voor de toekomst. Het geeft mij wel de gelegenheid een excuus te hebben voor het geval we van de baan geveegd worden. Het valt alleszins mee.

    We spelen op zaterdag, de eerste dag van het toernooi. ’s Ochtends win ik met Omar in twee sets van een stel dat veel ervaring heeft. Ze slaan de ballen keurig terug maar vooral Omar laat zich niet afleiden en dat zorgt ervoor dat ik mijn hoofd er ook bij kan houden. ’s Middags speel ik met Bart tegen een vrolijk duo waar we in twee sets van winnen. 6-1, 6-0. Het voelt zo onwerkelijk dat ik de hele week op toernooi.nl kijk of het wel echt is gebeurd maar de cijfers zijn het bewijs en ik ben trots en blij.

    Spelers op de club feliciteren ons. Ik geniet lang van de overwinningen want we spelen pas donderdag en vrijdag onze tweede wedstrijden dus kan ik zeggen dat we nog in het toernooi zitten. Ondertussen is er een klein grappig stemmetje in mijn oor ontstaan dat roept: ‘clubkampioen! clubkampioen!’ Een heerlijk gevoel en ik houd mezelf er graag even mee voor de gek.

    Op donderdag speel ik met Bart tegen een jong stel. Even rekenen leert me dat ze net zo oud zijn als toen Bart en ik elkaar leerden kennen. Dat is bijna twintig jaar geleden. Ze zien eruit alsof ze ook mee kunnen doen aan de fashion-week én aan Holland’s Next Top Model, we noemen ze Barbie en Ken.

    Barbie en Ken blijken niet alleen hip maar ook topfit en snel te zijn. Vooral Barbie beschikt over een service waar we niet doorheen komen. Gelukkig blijken ze enorm hartelijk en fideel. Het klinkt misschien eigenaardig maar ik verlies liever van mensen waar ik na afloop gemoedelijk een potje bier mee kan drinken dan van types die hoofdzakelijk komen om te tennissen. We verliezen in een fijne pot met 1-6, 3-6 en troosten onszelf met de gedachte dat zij waarschijnlijk volgend jaar een categorie hoger spelen dan wij.

    Op vrijdag speel ik met Omar tegen De Muur. Die bestaat uit een dame die minstens een meter negentig is en een heer die twee meter aantikt. Wij zijn geen kleine mensen maar tegen De Muur voel ik me een kabouter. Het voelt af en toe alsof Omar in zijn eentje tegen twee tegenstanders speelt, ik doe mijn best maar ik heb te weinig versnellingen om erbij te kunnen blijven. De wedstrijd duurt desalniettemin een uur en drie kwartier waarin ik van ieder moment geniet. We slaan harde ballen, ik win een paar keer mijn eigen service en ik voel mezelf groeien in het spel. Omar motiveert me. ‘Kom op Mies, keihard doorslaan!’ Dat doe ik, met wisselend succes maar ik doe het! Het worden twee sets, 4-6, 4-6. De Muur wint uiteindelijk het toernooi in hun categorie. We hebben verloren van de winnaars. Een prettige gedachte.

    Volgend jaar opnieuw een kans hoor ik mezelf zeggen. En in gedachten, heel zachtjes:

    Clubkampioen…clubkampioen…

    1. Joost 'namens de JC' avatar

      Leuke verhalen, Mies. Is weer eens wat anders dan JC-mails lezen..!

    2. Mies avatar
      Mies

      Dankjewel Joost!