learning takes a lifetime

Afscheid, op reis en dikke storm

We proosten op het leven vanaf een terrasje in Londen, krijgen een verpletterend telefoontje en exact vier weken later zijn we op de uitvaart van mijn schoonvader.

De plechtigheid verloopt in rustige sfeer, de broers hebben het goed voorbereid. Mark praat alles aan elkaar en Bart spreekt mooie woorden over hoe hij de laatste weken met zijn vader heeft beleefd.

Na afloop is er een borrel bij brasserie ‘Park’ in Leiderdorp. Het voelt vreemd om over het terras te lopen naar de afgescheiden ruimte die gereserveerd is voor Monuta. Mensen zitten in het zonnetje, lachend, kletsend alsof er niks aan de hand is. Wat voor hen ook waar is.

We eten een bitterbal en een kaasstengel, drinken bier of wijn. Mooie herinneringen aan Harry worden gedeeld, hij had het prachtig gevonden. Als je niet beter zou weten had het zo een feestje kunnen zijn.

De dagen na de uitvaart schuiven we in stilte langs elkaar door ons huis. Gaan we nog op vakantie? Kan dat nu? We zijn moe en verdrietig en realiseren ons dat we de afgelopen weken in een achtbaan hebben gezeten, rustig omhoog, keihard naar beneden, een looping, nog een looping, en een abrupt einde na een onverwachte bocht naar rechts.

Bart loopt al weken rond met een irritant gevoel in zijn bovenbuik. Iets wat hij door de omstandigheden heeft geparkeerd maar hij besluit toch even  langs de dokter te gaan die hem doorverwijst. Als bij de echo blijkt dat het galstenen zijn (meestal een onschuldige kwaal) besluiten we spontaan een vakantiehuisje te boeken op een camping in Bretagne.

Ik vraag de buurman of hij de planten wil bewateren, geef de kinderen de opdracht om een tas te vullen met kleding terwijl Bart de imperiaal op de auto monteert zodat de racefiets mee kan.

Aan het einde van de middag is de mazda-station goed gevuld en rijden we richting Frankrijk. Even voorbij Antwerpen boek ik hotelkamers in Chartres, een plaats die een flink stuk na Parijs ligt. In de bevestiging, per mail, zie ik dat ik een foutje heb gemaakt in de berekening van de afstand die we nog moeten afleggen, het is ietsje verder dan ik dacht. Als alles meezit komen we om half een ’s nachts aan.

Het zit tegen. De ring van Parijs is veranderd in een rivier. Het is inmiddels pikdonker en het water komt met bakken uit de hemel. Door de warmte van de afgelopen tijd ontstaat er mist boven het hete asfalt waardoor nergens meer aan te herkennen is dat we door de miljoenenstad rijden. Alsof dat niet zorgwekkend genoeg is worden we getrakteerd op donder en bliksem.

Julia schrikt wakker en maakt zich zorgen. ‘Zijn we wel veilig als de bliksem inslaat in de auto? Wat als er zoveel water op de weg komt dat we gaan drijven?’ Ik stel haar gerust en hoop dat het klopt wat ik tegen haar zeg. Het laatste uur lijkt een dag te duren. Om kwart over een rijden we onder de slagboom het parkeerterrein op van het Ibis hotel.

De foto’s op de website van het boekingsbureau zijn minstens tien jaar geleden genomen óf er is gisteren een orkaan geweest die het hotel terug in de tijd heeft geslingerd. Een smoezelige entree met vlekkerige vloerbedekking. Met z’n vijven krijgen we drie tweepersoonskamers die er net zo uitzien als de rest van het hotel. De badkamer is geplastificeerd en ontworpen door een fan van bruin en beige. Een kamer is gebruikt als rookruimte. We zijn te gaar om er iets van te gaan zeggen en laten de levensgrote asbak voor wat het is. Ik duik met Julia en Anna in een groot en gelukkig schoon bed en Bart deelt zijn kamer met Lina.

Meestal oogt de wereld stralender na een nachtje slapen maar die ochtend regent het nog altijd en de ontbijtzaal is door dezelfde tijdsstorm geteisterd als de hotelkamers. Ik besluit het te negeren en doe net alsof dit het meest fantastische ontbijt ooit is. ‘Kijk,’ zeg ik tegen de kinderen, ‘lekker kopje thee, jus d’orange en een baby-croissant.’ Ze zijn pas onder de indruk als ik voorverpakte kuipjes met hazelnootpasta van hun favoriete merk ontdek in het karige aanbod.

We tuffen zonder noemenswaardige vertraging naar Camping Bel Air. Een vijfsterren-resort in het puntje van Bretagne waar we een gloednieuwe stacaravan aangewezen krijgen. Schoon, beste douche ooit en futuristische schuifgordijnen die aan een kant verduisteren en aan de andere kant de muggen buiten houden. Het enige wat ontbreekt is uitzicht. We kijken recht tegen de volgende woonhut aan die een meter na ons terras is geplaatst maar het zal me een worst wezen want de plussen winnen het ruimschoots van deze kleine min.

De eerste dagen kenmerken zich door zwembad, speeltuin en strand. En natuurlijk, ruzie. Tussen de twee jongsten botert het niet echt. We laten het maar een beetje gaan, Bart heeft nog steeds buikpijn en maakt zich zorgen over de uitslag van het bloedonderzoek waar hij pas maandagmiddag over gebeld wordt. Als het telefoontje positief blijkt lijkt de buikpijn af te nemen en kan hij zich ontspannen.

Het weer weerspiegelt onze stemming. Een zonnetje wisselt de wolken af en miezerige regen komt voorbij als illustratie. Op maandag meldt de Franse KNMI een tropische storm. De laatste keer dat zoiets in dit gebied voorkwam was in 1980.  Onze polyester-vakantiewoning schudt op zijn pootjes. Het voelt alsof we in een ‘flight-simulator’ zitten en elk moment op kunnen stijgen.

Tijdens het ontbijt krijgen we een telefoontje van onze buurman uit Amsterdam. Onze kelderbox is opengebroken. Bart noemt alles op wat er in de schuur zou moeten staan en we concluderen dat mijn gloednieuwe fiets ontbreekt. Nu heb ík buikpijn. Alle moeite die ik heb gedaan om de perfecte tweewieler samen te stellen, model ‘oma’, maat tweeënzestig, drie versnellingen, zitje achterop, kratje voorop. Alles voor niks. Ik huil, heel hard, en dan word ik boos. Wie haalt het in zijn hoofd om dit te doen? Wie weet überhaupt dat ik een nieuwe fiets heb? De fietsenmaker? Ik bel mijn vriendin die me troost en zegt dat ik niet mezelf de schuld moet geven, dit soort dingen gebeuren. Dan zet ik een knop om in mijn hoofd, doe digitaal aangifte van diefstal en dat is dat.

De laatste dag schijnt de zon. We rijden nog een een keer naar het strand. Anna stoort zich aan zandkorrels, Lina scharrelt met schelpen en stenen in een poeltje en ik duik met Julia de zee in. We dansen in de golven tot de vloed de strandlakens raakt.

Reader Comments

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.