learning takes a lifetime

Campingperikelen

Vorig jaar deden we een spontaan zomervakantie-experiment door op een Franse camping een gite in een bos te boeken. Het mislukte. Dit jaar gaan we het anders aanpakken.

Maanden van tevoren maken we een wensenlijst, surfen op internet en vinden een Nederlandse camping in Frankrijk die er geschikt uitziet voor een kleuter, een dwarskont van zeven en een puber.

We zijn er.

Bovenop een berg in een oude kersenboomgaard met uitzicht op een landschap van rotsen en weilanden staat een ienieminie-dorpje vol zomerbewoners. ‘Charmante familie-camping in de Ardeche’, zoals beloofd door de brochure van de tentenverhuurder.

Een handjevol glamping-tenten tussen ongeveer tachtig caravan’s met voortent én luifel, vouwwagens en een paar mobile-homes. De plekken staan dicht op elkaar, je moet niet veel breder zijn dan een fotomodel wil je er nog tussendoor kunnen lopen. Wij krijgen een patio toegewezen met een stukje gras. Ons tenthuis staat en een hangmat lonkt.

Schuin tegenover ons kampeert een jong gezin uit de buurt van Rotterdam. Hun twee kinderen van anderhalf en vier jaar oud zijn van top tot teen gehuld in kleding van het Nederlandse winkelbedrijf dat bekend staat om zijn rookworst.

Er zijn strikte regels voor de meisjes. Zo mogen ze ABSOLUUT niet bij iemand anders in de tent. ‘Je weet de afspraak!’ Zegt de moeder met enige regelmaat als de regel lijkt te worden overtreden. Ze mogen wél met waterpistolen schieten maar vooral NIET op mensen of op elkaar. Terwijl de kinderen de straat, het gras en de rotsen vochtig houden hobbelen de ouders de ganse dag achter hun kroost aan.

Naast de Rotterdammers staat een familie met een zoon en een dochter, ze komen uit Limburg, vertelt de man. Hij fietst, vandaag honderdvijftig kilometer, dwars door de bergen. We zien hem een aantal keer ’s ochtends vroeg vertrekken. Zijn dochter van twee klampt zich telkens vast aan haar vaders fiets. Dikke tranen rollen over haar wangen, ze begrijpt niet waarom hij weer weg gaat.

De dagen in die week vullen zich met knutseluurtjes, vossenjacht en meeleeftheater van Milly en Maartje. We spelen Yathzee, lezen een boek en de tijd vliegt voorbij. Als er op donderdag een band gaat spelen kom ik erachter dat er twee á drie keer in de week disco dan wel live-muziek is. Het baart me een klein beetje zorgen.

In het campingreglement lees ik dat het om elf uur ’s avonds rustig moet zijn. We worstelen ons door de indringende beats van liedjes die we associeren met het feest dat ze in februari in het zuiden van ons kikkerlandje uitbundig vieren. Gelukkig klopt de belofte van de stilte en na elven slapen we heerlijk met het geluid van ritselende blaadjes om ons heen.

Nieuwe buren.

Vrijdag vroeg vertrekken de Limburgers. In de loop van de middag zien we dat er op hun plek een caravan wordt geplaatst. Een ouder stel. Fijn, denken we, lekker rustig. Even later komen de dochter en schoonzoon van het stel aanwandelen. Met hun vier kinderen. Bart en ik kijken elkaar aan en ik weet dat we exact hetzelfde denken. SHIT.

De eerste avond zitten De Nieuwe Buren onder hun luifel te praten. Negen uur, tien uur, elf uur. Hoopvol denk ik dat het nu wel gauw stil zal worden. Om half twaalf is Bart het zat. Hij trekt een broek en t-shirt aan en loopt naar ze toe.

‘Hallo, zouden jullie wat zachter willen doen? Wij liggen daar, drie meter verderop in die tent en we horen jullie praten.’

De oma reageert direct, fel, met hoge stem in onvervalst Noord-Hollands bijt ze Bart toe dat ze morgen weg is. Dat hoeft niet hoor, zegt Bart. ‘Als je nu maar wat zachter doet, dat is al heel fijn, dan kunnen we slapen.’ Tegen twaalven besluiten ze nog even de voortent op te ruimen en dan is het eindelijk stil.

De volgende avond herhaalt het ritueel zich, nu zonder de opa en oma. Om kwart voor twaalf belt mevrouw nog even luid lachend met haar vader. Bart dient wederom een verzoek tot ‘kan het iets zachter’ in. Al bellend loopt de moeder een andere kant op.

De ochtend die erop volgt ga ik zelf nog even langs. Met opgetrokken wenkbrauwen kijken ze me aan. Ik zeg dat ik het niet fijn vind dat ze zo laat nog hardop telefoneren. De man zegt dat ik hun situatie niet ken. Ik zeg, ‘dat klopt maar ik hoorde jullie lachen, het leek me een vrolijke situatie.’ De vrouw zegt dat ze vindt dat ze heel zachtjes praatte. Ik zeg dat het klonk alsof ze in onze tent naast ons bed stond te tetteren in mijn oor. Ze blijven even stil.

’Nou’, zegt de vrouw, ‘je mag er natuurlijk iets van zeggen.’ Nu ben ik even stil, ‘Ik zeg er toch iets van’, zeg ik. ‘Ik heb geen zin om er elke avond voor uit mijn tent te moeten, ik zou het heel fijn vinden als jullie er rekening mee houden, in ieder geval na elf uur.’ De vrouw loopt weg, richting het waterkraantje en mompelt iets onverstaanbaars. ‘Pardon?!’ roep ik, maar ze reageert niet meer.

Deze types draaien zes keer per dag op een willekeurig moment iets dat klinkt als hardcore housemuziek uit de jaren negentig. ‘Want zoon Frits vindt het zo leuk.’ Het geluid is zacht maar irritant genoeg zorgt het elke keer voor een flashback naar de house-party’s van lang geleden en bijbehorende hartkloppingen. We missen de mensen uit Limburg.

Wegwezen.

De sfeer wordt langzaam grimmig. De vrouw van caravan Overlast kijkt ons niet meer aan. Ik hoor haar man aan de Rotterdamse moeder vertellen dat de airco in hun auto stuk is. Ik denk stiekem aan karma en proost met Bart op de temperatuur van achtendertig graden.

Wij blijven vriendelijk goedemorgen zeggen maar het voelt niet ok. Aan het begin van de tweede week van onze vakantie stuur ik de eigenaresse van het landhuis dat we de laatste week huren een verzoek of we iets eerder kunnen komen. Geen probleem, een dag eerder kan. We kijken ernaar uit.

Kamperen. Ik geloof dat ik het opgeef. Volgend jaar gaan we wandelen in Tirol.

Reader Comments

  1. Wat moet het vooruitzicht van Aize heerlijk zijn geweest! Maar: volgens mij hadden de meisjes het wel naar hun zin, toch? Dan nu maar even extra genieten. Wat zullen jullie lekker slapen. ????

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.